hub­be­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhʊ·bə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: hub·be·rig
hubberiger hubberigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: hubbern + -ig