Wed­der­glas in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛ·dɐˌɡlaz/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wed·der·glas
Plural: Wed­der­glääs n dat Wed­der­glas
Plural: Wed­der­glä­ser n dat Wed­der­glas
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Wedder + Glas