le­delich in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlɛː·dəlɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: le·delich
leidelicher leidelichst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Leed + -lich