fröh­rei­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɾøːy̯ˌɾaɪ̯·zɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: fröh·rei·sig
fröhreisiger fröhreisigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: fröh + Reis + -ig