un­ner­wegen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʊ·nɐˌvɛɡən/
adverb
Afbreking: un·ner·wegen
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
op Reisen, op’n Weg
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: unner + -wegen