Win­ter­ap­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈvɪn·tɐˌa·pəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Win·ter·ap·pel
Pluralis: Winteräppel m de Win­ter­ap­pel West-Grupp, Märkisch
Pluralis: Winterappels m de Win­ter­ap­pel Ostfälisch
Pluralis: Winterappeln m de Win­ter­ap­pel

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Winter + Appel