kopp­soor in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɔpˌzɔu̯ɾ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: kopp·soor
koppsorer koppsoorst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kopp + soor