Han­no­vers­mann in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈha·nɔu̯·vɐsˌman/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Han·no·vers·mann
Plural: Han­no­vers­mann­s m de Han­no­vers­mann
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hannover + Mann