Suug­far­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈzuːçˌfa͡ɐkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Suug·far·ken
Pluralis: Suugfarken n dat Suug­far­ken

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: sugen + Farken