Spöök­schipp in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈspøːy̯kˌʃɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Spöök·schipp
Pluralis: Spöökscheep grammatisch ondefineerd
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Spöök + Schipp