Ach­ter­hand in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈax·tɐˌhant/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ach·ter·hand
Pluralis: Achterhänn f de Ach­ter­hand Westfälisch, Nordniedersächsisch, Ostfälisch, Märkisch, Pommersch
Pluralis: Achterhann f de Ach­ter­hand Nordniedersächsisch
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: achter + Hand