Spe­ler in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈspɛː·lɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Spe·ler
Pluralis: Spelers m de Spe­ler
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: spelen + -er