Günt­siet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡʏntˌziːˑt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Günt·siet
Plural: Günt­sie­den f de Günt­siet
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: günt + Siet