Sig­nal in het Nedersaksisch

Uitspraak: /sɪɡˈnɔːl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sig·nal
Plural: Sig­nals n dat Sig­nal
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De Sireen is dat Signal, dat en Füür utbraken is.