Pas­sa­scheer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /pa·saˈʒɛː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pas·sa·scheer
Plural: Pas­sa­scheers m de Pas­sa­scheer
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: