An­klaag in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌklɔːˑç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·klaag
Plural: An­kla­gen f de An­klaag
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: an + Klaag