Ge­richt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌɾɪçt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·richt
Plural: Ge­rich­ten n dat Ge­richt
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
[2]
geavanceerde woordenschat
Duits:
Examples:
Dat Gericht is tohoopkamen, üm dat Oordeel to verkünnen.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + richten