school­plich­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈʃɔu̯lˌplɪç·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: school·plich·tig
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
Voorbeelden:
Nu dat ik schoolplichtige Kinner heff, mööt wi jümmer in de Feern in Urlaub föhren.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schoolplicht + -ig