Uitspraak in het Plat: /banknɔˑu̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bank·noot
Pluralis: Bank­no­ten f de Bank­noot
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
In de Inflatschoon 1923 hett dat goorkeen Münten mehr geven, bloots noch Banknoten.

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: Bank + Noot