An­lig­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌlɪ·ɡɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·lig·ger
Plural: An­lig­gers m de An­lig­ger
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: anliggen + -er