School­in­spek­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɔu̯l·ɪnˌspɛk·təɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: School·in·spek·ter
Plural: School­in­spek­ters m de School­in­spek­ter
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: School + Inspekter