In­spek­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɪnˈspɛk·təɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: In·spek·ter
Plural: In­spek­ters m de In­spek­ter
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: in + -er