Pu­cher in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpʊ·xɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pu·cher
Plural: Pu­chers m de Pu­cher
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: puchen + -er