Ban­g­bü­x in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbaŋˌbʏks/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bang·büx
Plural: Ban­g­bü­xen f de Ban­g­bü­x
[1]
geavanceerde woordenschat
figuratiev
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: bang + Büx