An­fan­g in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌfaŋ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·fang
Plural: An­fän­g m de An­fan­g
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: an + Fang