Zi­troon in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈt͡sɪ·tɾɔˑu̯n/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Zi·troon
Plural: Zi­tro­nen f de Zi­troon
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Valentin Dietrich, CC-BY-SA-3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: