Ta­peet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /tɔːˈpɛːˑt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ta·peet
Plural: Ta­pe­ten f de Ta­peet
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Wandkleed ut Stoff oder Popeer
Duits:
=
Tapete