Ge­boort in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌbɔu̯ɾt/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·boort
Plural: Ge­boorten f de Ge­boort
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
=
birth
Duits:
=
Geburt
Examples:
Bi de Geboort weer ik 52 Zentimeter groot.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + Boort