Ge­borr in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌbɔ͡ɐ/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·borr
Plural: Ge­bor­den f de Ge­borr
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Tiedpunkt von dat boren warrn
Engels:
=
birth
Duits:
=
Geburt

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: ge- + Bort