Ruum­schipp in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɾuːmˌʃɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ruum·schipp
Pluralis: Ruumscheep n dat Ruum­schipp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Dat eerste Ruumschipp is 1961 in’n Weltruum flagen.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ruum + Schipp