Qui­ck­sül­ver in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkvɪkˌzʏl·vɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Quick·sül·ver
n dat Qui­ck­sül­ver
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: quick + Sülver