Dag­fohrt in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈdaçˌfɔː͡ɐt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dag·fohrt
Pluralis: Dagfohrten f de Dag­fohrt
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Kunferenz, Drepen von een Dag (oder mehr)
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Dag + Fohrt