Pro­phet in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /pɾoːˈfɛːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pro·phet
Pluralis: Propheten m de Pro­phet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Verkünner un Düder von Gott sien Will
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Woord afleidt van: pro-