Wi­cker in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈvɪ·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wi·cker
Pluralis: Wickers m de Wi­cker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wicken + -er