Kan­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkan·təɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kan·ter
Plural: Kan­ters m de Kan­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
cantor
Engels:
=
cantor
Duits:
=
Kantor

Etymologie:

Woord afleidt van: -er