que­kig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkvɛː·kɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: que·kig
quekiger quekigst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
mit veel Queek dor in
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Queek + -ig