Dagdeef in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdaçˌdɛɪ̯f/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dag·deef
Plural: Dagdeev m de Dagdeef
[1]
geavanceerde woordenschat
actief

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Dag + Deef