fründ­lich in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈfɾʏnd·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: fründ·lich
fründlicher fründlichst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Antoniemen:
unfründlich

Etymologie:

Woord afleidt van: -lich