Pott­bä­cker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔtˌbɛ·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pott·bä·cker
Plural: Pott­bä­ckers m de Pott­bä­cker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pott + Bäcker