Bub­bel in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈbʊ·bəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bub·bel
Pluralis: Bubbels f de Bub­bel
Pluralis: Bubbeln f de Bub­bel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: bubbeln