Ar­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa͡ɐ·ɡɐ/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ar·ger
Niet gebruikt het pluralis m de Ar­ger
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Woot
Duits:
=
Ärger