Ar­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈa͡ɐ·ɡɐ/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ar·ger
Niet gebruikt het pluralis m de Ar­ger
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Woot, Brass
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Argern kannst du di, aver denk dor an, dat di de Arger nich wiederhelpt!
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Woord afleidt van: argern