Wo­ens­dag in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈvɔu̯·ənsˌdaç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wo·ens·dag
Pluralis: Woensdaag m de Wo­ens­dag
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: Dag