Wett­loop in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛtˌlɔu̯p/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wett·loop
Plural: Wett­lööp m de Wett­loop
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wetten + Loop