Nach­ti­gall in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnax·ti·ɡal/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Nach·ti·gall
Plural: Nach­ti­gal­len f de Nach­ti­gall
[1]
geavanceerde woordenschat
naam van en biologische species
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Woord afleidt van: Nacht