Rö­ker­wie­men in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾœɪ̯·kɐˌviːm̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Rö·ker·wie·men
Plural: Rö­ker­wie­mens m de Rö­ker­wie­men
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: rökern + Wiemen