Wie­men in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈviːm̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wie·men
Plural: Wie­mens m de Wie­men
[1]
geavanceerde woordenschat
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Woord afleidt van: Wiem