Schott­spool in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɔtˌspɔˑu̯l/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schott·spool
Plural: Schott­spo­len f de Schott­spool
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Woord afleidt van: Spool