Op­häng­sel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔpˌhɛŋ·səl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Op·häng·sel
Plural: Op­häng­sels n dat Op­häng­sel
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: op + hängen + -sel