Kark­miss in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈka͡ɐkˌmɪs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kark·miss
Plural: Kark­mis­sen f de Kark­miss
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
=
kermis
Duits:
=
Kirmes

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kark + Miss