Ke­tel­bö­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɛː·təlˌbøːy̯·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ke·tel·bö·ter
Plural: Ke­tel­bö­ters m de Ke­tel­bö­ter
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
figuratiev
naam van en biologische species

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ketel + böten + -er